Een MPG-berekening drukt de milieubelasting van alle materialen in een gebouw uit in één getal: de schaduwkosten in euro per vierkante meter bruto vloeroppervlak per jaar, gerekend over de hele levensduur. Sinds 1 juli 2026 geldt voor nieuwbouwwoningen in beginsel een grenswaarde van 1,6; voor bepaalde kleine woningen geldt een soepelere eis. Wie de rekenregels kent, kan de score sturen in plaats van afwachten.
Dit artikel behandelt de MPG als wat hij is: een berekening met invoer, rekenregels en een uitkomst die u tijdens het ontwerp kunt beïnvloeden. Het bredere kader, met de andere lagen van duurzaamheid naast materialen, staat in ons artikel over duurzaam bouwen. Hier gaan we de diepte in: wat de berekening meet, waar de cijfers vandaan komen, welke bouwdelen de score dragen, hoe u die omlaag brengt en wat dat betekent voor de artist impression waarmee u het project presenteert.

Wat de MPG-berekening precies meet
De MPG, voluit MilieuPrestatie Gebouwen, meet de milieueffecten van het materiaalgebruik van een gebouw en vertaalt die naar geld. Voor elk product in het gebouw wordt de levenscyclus doorgerekend: winning van grondstoffen, productie, transport, inbouw, vervanging tijdens de gebruiksfase en verwerking aan het einde. Elk milieueffect, zoals klimaatverandering, verzuring of uitputting van grondstoffen, krijgt een prijs per eenheid. Die prijs heet de schaduwkostprijs: het bedrag dat het zou kosten om het effect te voorkomen of ongedaan te maken.
De som van alle schaduwkosten wordt gedeeld door twee getallen. Eerst door het bruto vloeroppervlak van het gebouw, zodat een grote en een kleine woning vergelijkbaar worden. Daarna door de referentielevensduur van het gebouw: 75 jaar voor woningen en 50 jaar voor kantoren. Zo ontstaat de eenheid die u in elk MPG-rapport terugvindt: euro per m² BVO per jaar. Een score van 0,5 betekent dus dat de materialen van het gebouw, omgeslagen over de levensduur, een halve euro milieuschade per vierkante meter per jaar veroorzaken.
Twee eigenschappen van die formule bepalen bijna elke ontwerpkeuze die volgt. Ten eerste telt alleen het materiaal; het energiegebruik tijdens de bewoning zit niet in de MPG, dat valt onder BENG en het energielabel. Ten tweede is de MPG een quotiënt. U kunt de teller verlagen door minder of ander materiaal te gebruiken, maar ook door producten te kiezen die langer meegaan en dus binnen die 75 jaar minder vaak vervangen hoeven te worden. Een gevelbekleding met een levensduur van 25 jaar wordt in de berekening drie keer aangebracht; een gevel die 75 jaar meegaat maar één keer.
De rekenregels: Bepalingsmethode en Nationale MilieudatabaseDe rekenregels: Bepalingsmethode en Nationale Milieudatabase
De MPG wordt niet vrij berekend maar volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Bouwwerken, de Nederlandse rekenmethode die vastlegt welke levensfasen meetellen, hoe vervangingen worden verrekend en hoe milieueffecten in schaduwkosten worden omgezet. De methode is gebaseerd op de Europese normen voor levenscyclusanalyse van bouwproducten en wordt beheerd door de Stichting Nationale Milieudatabase. Wie een MPG laat maken, krijgt dus altijd een uitkomst volgens dezelfde spelregels, ongeacht welke adviseur of software het werk doet.
De cijfers zelf komen uit de Nationale Milieudatabase, de NMD. Daarin staat per product een milieuprofiel, en die profielen zijn ingedeeld in drie categorieën. Categorie 1 bevat merkgebonden data die door een onafhankelijke partij zijn getoetst: de fabrikant heeft zijn eigen product laten doorrekenen. Categorie 2 bevat merkongebonden, getoetste data voor een groep vergelijkbare producten, bijvoorbeeld aangeleverd door een branchevereniging. Categorie 3 bevat generieke, ongetoetste data, en juist daarop wordt een opslag van 30 procent gelegd. Die opslag is bedoeld als veiligheidsmarge, maar in de praktijk werkt hij als een boete op onbeslistheid: bij gebruik van categorie 3-data geldt de opslag van 30 procent; ook zonder merkkeuze kunnen passende, getoetste categorie 2-data worden gebruikt.
De methode is de afgelopen jaren uitgebreid. De oorspronkelijke berekening werkte met elf milieueffectcategorieën; de nieuwere set volgens de herziene Europese norm telt er negentien, met onder meer aparte categorieën voor fijnstof, waterschaarste en verschillende vormen van toxiciteit. Omdat de nieuwe set meer effecten meetelt, is een score volgens de ene set niet één-op-één vergelijkbaar met een score volgens de andere. Voor u als opdrachtgever is de praktische les dat een MPG-rapport altijd vermeldt met welke set en welke versie van de database is gerekend. Een score van drie jaar geleden is niet zonder meer vergelijkbaar met een score van vandaag.
Grenswaarden van 2013 tot nu, en wat er nog aankomtGrenswaarden van 2013 tot nu, en wat er nog aankomt
De MPG-berekening is sinds 2013 verplicht bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor nieuwe woningen en kantoren groter dan 100 m². In de eerste jaren gold alleen een rapportageplicht: de score moest worden berekend en ingediend, maar er hing geen eis aan. Dat veranderde op 1 januari 2018 met een grenswaarde van 1,0. Per 1 juli 2021 werd de grenswaarde voor woningen aangescherpt naar 0,8. Sinds 1 juli 2026 geldt onder de herziene methode in beginsel een grenswaarde van 1,6; dit is voor woningen geen feitelijke aanscherping. Voor kantoren geldt sinds 1 juli 2026 in beginsel een grenswaarde van 1,55.
De overgang van 0,8 naar 1,6 per 1 juli 2026 komt door de herziene rekenmethode en betekent voor woningen geen feitelijke aanscherping. Een grondgebonden woning met een betonnen fundering, een casco van kalkzandsteen en beton, een bakstenen buitengevel en een volledige installatie met warmtepomp en zonnepanelen kwam onder de oude rekenmethode in de praktijk vaak uit rond 0,6 tot 0,7 zonder bijzondere inspanning. De MPG blijft een ontwerpparameter, ook bij de beleidsneutrale overgang naar de herziene methode, die in de schetsfase moet worden meegenomen in plaats van in de vergunningsfase.
- 2013: berekening verplicht bij de vergunningaanvraag voor woningen en kantoren met een gebruiksoppervlak boven 100 m², nog zonder grenswaarde.
- 1 januari 2018: eerste grenswaarde van 1,0 euro per m² BVO per jaar.
- 1 juli 2021: aanscherping naar 0,8.
- 1 juli 2026: standaardgrenswaarde 1,6 voor nieuwbouwwoningen onder de herziene methode.
Sinds 1 juli 2026 gelden MPG-eisen ook voor andere gebruiksfuncties, waaronder onderwijs, gezondheidszorg, winkels en industrie; de toepasselijke grenswaarden zijn vastgelegd in het Bbl. De richting is echter duidelijk: wie nu een schoolgebouw, een zorgcomplex of een bedrijfshal ontwerpt, moet rekening houden met de sinds 1 juli 2026 geldende MPG-eisen; voor kleine industriegebouwen geldt een uitzondering.

Welke bouwdelen de MPG-score het zwaarst belasten
In een gemiddelde grondgebonden woning komt het grootste deel van de MPG uit vier bouwdelen: de fundering, het casco van wanden en vloeren, de gevel met kozijnen en glas, en de installaties. De afbouw, het dak en het schilderwerk wegen ook mee, maar minder. De verdeling verschilt per ontwerp, en daarom geeft de tabel hieronder geen percentages maar een ordening in hoog, middel en laag, samen met de ontwerpkeuze die het bouwdeel lichter maakt en de vraag of die keuze van buiten zichtbaar is.
| Bouwdeel | Aandeel in de MPG | Wat het verlaagt | Zichtbaar in het ontwerp |
| Fundering | Hoog bij beton op palen, middel bij een lichte bovenbouw | Lichter casco, waardoor minder en kortere palen nodig zijn; betonmengsels met minder cement | Nee |
| Casco: wanden en vloeren | Hoog | Houten of hybride draagstructuur, kanaalplaat in plaats van massief beton, kleinere overspanningen | Alleen als het hout in het zicht blijft |
| Gevel, kozijnen en glas | Middel tot hoog | Houten of hergebruikte gevelbekleding, houten kozijnen, geen onnodig grote glasvlakken | Ja, volledig |
| Dak | Middel | Houten dakelementen, lichte dakbedekking met lange levensduur | Gedeeltelijk |
| Installaties, inclusief PV | Middel tot hoog, en stijgend | Lagere warmtevraag zodat de warmtepomp kleiner kan; alleen de zonnepanelen die BENG vereist; producten met categorie 1-data | Alleen de panelen op het dak |
| Afbouw en binnenwanden | Laag tot middel | Minder lagen, demontabele wanden, afwerking die niet elke tien jaar wordt vervangen | Alleen in het interieur |
De zonnepanelenparadox
Zonnepanelen verbeteren de energieprestatie en verhogen de MPG. Dat is geen fout in de methode, maar een direct gevolg van wat zij meet: PV-panelen, omvormers en bekabeling zijn producten met een eigen milieuprofiel, en ze gaan geen 75 jaar mee, zodat ze in de berekening minstens twee keer worden aangebracht. In een goed geïsoleerde woning kunnen de installaties samen inmiddels een van de grootste posten in de MPG zijn, groter dan de gevel. Het gevolg is een spanning tussen twee eisen op dezelfde vergunningaanvraag: BENG 3 vraagt om een aandeel hernieuwbare energie, en de MPG straft de panelen waarmee dat aandeel wordt gehaald.
De uitweg zit in de warmtevraag. Elke kilowattuur die het ontwerp niet nodig heeft, hoeft niet te worden opgewekt, en dus staat er minder op het dak en hangt er een kleinere warmtepomp aan de muur. Compacte volumes, een goede schil en een doordachte oriëntatie verlagen daarmee BENG en MPG tegelijk. Dat is het argument om beide berekeningen in dezelfde ontwerpronde te maken in plaats van na elkaar.

Vijf knoppen die de MPG-score omlaag brengen
De MPG is een som van producten maal hoeveelheid maal vervangingsfrequentie. Elke ontwerpmaatregel die de score verlaagt, grijpt in op een van die drie factoren of op de data die erachter zitten. In de praktijk komen bijna alle verbeteringen neer op vijf knoppen, in ongeveer deze volgorde van effect.
- Een lichter casco. De draagstructuur is de grootste post en werkt door in de fundering. Een houten draagstructuur van CLT of houtskeletbouw vervangt beton en kalkzandsteen door een materiaal dat tijdens de groei koolstof heeft opgeslagen, en weegt bovendien een fractie, zodat de palen korter en minder talrijk kunnen zijn. Hybride varianten, met betonnen kernen en houten vloeren, halen een deel van dat effect met minder gevolgen voor brandveiligheid en akoestiek.
- Biobased en hergebruikte materialen in de schil. Gevelbekleding, isolatie en kozijnen zijn de bouwdelen waar biobased materialen zoals hout, vlas en houtvezel het eenvoudigst inpassen. Hergebruikte baksteen of hergebruikte gevelelementen tellen in de berekening met een sterk gereduceerd profiel, omdat de productie al eerder is „betaald”. Dat is de directe koppeling tussen de MPG en circulair bouwen.
- Minder installaties. Niet minder comfort, maar minder apparatuur om hetzelfde comfort te halen: een lagere warmtevraag, een kleinere warmtepomp, alleen de panelen die BENG vereist, en geen dubbele systemen voor verwarming en koeling waar één systeem volstaat.
- Langere levensduur van wat u wél toepast. Een dakbedekking, gevelafwerking of kozijn met een langere technische levensduur wordt in de 75 jaar minder vaak vervangen. Minder vervangingen verlagen de milieukosten van dat bouwdeel; de totale besparing hangt ook af van de initiële productie en de milieuprofielen.
- Concrete producten met categorie 1- of 2-data. Dit is de goedkoopste knop en wordt het vaakst vergeten. Zodra de materiaalstaat generieke omschrijvingen vervangt door producten waarvan de fabrikant een getoetst milieuprofiel heeft laten opnemen, verdwijnt de opslag van 30 procent en rekent de MPG met de werkelijke cijfers, die vaak lager liggen dan het generieke profiel.

Rekenvoorbeeld: een rijwoning van 0,72 naar 0,49
Onderstaand voorbeeld is illustratief. De getallen zijn geen uitkomst van een echte berekening maar een geloofwaardige verdeling, bedoeld om te laten zien hoe de knoppen samenwerken; een werkelijke MPG hangt af van het ontwerp, de gekozen producten en de versie van de database. Neem een tussenwoning van circa 120 m² BVO, drie lagen, betonnen fundering op palen, kalkzandsteen binnenspouwbladen, betonnen vloeren, bakstenen buitengevel, lucht-waterwarmtepomp en twaalf zonnepanelen.
| Bouwdeel | Uitgangsontwerp (illustratief) | Maatregel | Na maatregel (illustratief) |
| Fundering | 0,10 | Lichtere bovenbouw, minder en kortere palen | 0,08 |
| Casco | 0,22 | Houtskeletbouw in plaats van kalkzandsteen, houten vloeren op de verdiepingen | 0,12 |
| Gevel, kozijnen, glas | 0,12 | Houten kozijnen, hergebruikte baksteen op de voorgevel | 0,08 |
| Dak | 0,06 | Ongewijzigd | 0,06 |
| Installaties incl. PV | 0,14 | Lagere warmtevraag: kleinere warmtepomp, tien in plaats van twaalf panelen | 0,10 |
| Afbouw | 0,08 | Minder afwerklagen; materiaalstaat met categorie 1-producten in plaats van generieke data | 0,05 |
| Totaal | 0,72 | 0,49 |
Drie dingen vallen op. De grootste stap zit in het casco, en die stap sleept de fundering mee; wie alleen aan de gevel sleutelt, komt niet van 0,72 naar 0,5. De tweede stap is grotendeels administratief: de afbouw daalt in dit voorbeeld niet zozeer omdat er ander materiaal wordt toegepast, maar omdat de generieke data met hun opslag van 30 procent zijn vervangen door getoetste productdata. En de installaties blijven ook na de maatregelen een van de grootste posten, wat de zonnepanelenparadox uit de vorige paragraaf onderstreept.
In onze studio zien we dit voorbeeld in een andere vorm terug. Van de maatregelen in de tabel zijn er twee van buiten zichtbaar: de houten kozijnen en de hergebruikte baksteen. De houtskeletbouw, de lichtere fundering, de kleinere warmtepomp en de betere data zijn in geen enkele render te zien. Dat is het eigenlijke communicatieprobleem van de MPG, en we komen er hieronder op terug.
Wie maakt de MPG-berekening en wanneer levert u die inWie maakt de MPG-berekening en wanneer levert u die in
De MPG-berekening wordt in de regel gemaakt door een bouwfysisch adviseur of een gespecialiseerd bureau, vaak dezelfde partij die de BENG-berekening verzorgt, omdat beide berekeningen uit dezelfde geometrie en dezelfde materiaalstaat worden opgebouwd. Het rekenwerk gebeurt met software die door de Stichting Nationale Milieudatabase is gevalideerd en die rechtstreeks op de database aansluit; een MPG uit een niet-gevalideerd rekenmodel voldoet niet aan de Bepalingsmethode en kan door het bevoegd gezag worden afgewezen.
Het rapport hoort bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Dat betekent dat de berekening klaar moet zijn op het moment dat het ontwerp definitief wordt ingediend, met de materiaalkeuzes zoals ze dan bekend zijn. Wie de MPG pas op dat moment voor het eerst laat maken, heeft geen ruimte meer om bij te sturen als de score boven de grenswaarde uitkomt: het casco ligt dan vast en de enige knoppen die nog draaien, zijn de gevelafwerking en de productkeuze. De verstandige volgorde is een indicatieve berekening in het voorontwerp, een tweede in het definitief ontwerp en de formele versie bij de aanvraag.
- Voorontwerp: een globale MPG op basis van het casco-principe en de gevelopzet, met generieke data. Dit is het moment waarop hout versus beton wordt beslist.
- Definitief ontwerp: een MPG met de materiaalstaat, waarin generieke posten zoveel mogelijk zijn vervangen door concrete producten.
- Vergunningaanvraag: het formele rapport, met vermelding van de gebruikte versie van de Bepalingsmethode en van de database.
- Oplevering: geen verplichte herberekening, maar wel het moment waarop afwijkingen tussen bestek en uitvoering de werkelijke score veranderen. Een materialenpaspoort legt dat vast.

Waarom de MPG onzichtbaar is in een render, en wat wij daaraan doen
Een MPG van 0,45 en een MPG van 0,75 kunnen exact hetzelfde beeld opleveren. Twee woningen met dezelfde bakstenen gevel, dezelfde kozijnen en hetzelfde dak kunnen in de berekening aanzienlijk verschillen als de ene een houten en de andere een betonnen casco heeft, en de kijker ziet het verschil niet. Voor een projectontwikkelaar die de lage score in de verkoop of bij een investeerder wil gebruiken, is dat een probleem: het argument staat in een rapport, niet in de artist impression.
Wij lossen dat op door de materiaalkeuzes die de score dragen leesbaar te maken waar het ontwerp dat toelaat. Als het casco van hout is, adviseren we de architect en de ontwikkelaar om dat hout ergens in het zicht te laten: een houten plafond in de woonkamer, een zichtbare CLT-wand in het trappenhuis, een houten dakoverstek. Een hergebruikte gevelsteen krijgt in de render de kleurspreiding en de sporen die hij in werkelijkheid heeft, in plaats van de egale nieuwe steen uit een standaardbibliotheek. En een woning met minder installaties heeft een rustiger dak en een schonere gevel: geen buitenunit onder elk raam, geen woud van doorvoeren. Dat is geen versiering, dat is de MPG in beeld.
Waar de keuze onzichtbaar blijft, maken we een tweede beeld. Een doorsnede of exploded view laat het casco zien, een detailrender toont de houtskeletwand achter de baksteen, en een korte animatie kan de gevel laag voor laag laten ontstaan. Voor projectontwikkelaars die een gebouw met een sterke MPG in de markt zetten, is die tweede beeldlaag vaak overtuigender dan de gevelrender zelf, omdat zij laat zien waar het geld en de milieuwinst werkelijk zitten.

De greenwashgrens: wat een render niet mag suggereren
Hetzelfde instrument werkt de andere kant op. Een render met een houten gevel over een betonnen casco suggereert een MPG die het gebouw niet heeft; een dak vol groen en zonder panelen suggereert dat de installaties licht zijn, terwijl de PV-panelen in het bestek staan. Wij tekenen wat er gebouwd wordt, en we vragen daarom om de materiaalstaat voordat we de gevel opzetten. Als een claim over de MPG bij een beeld hoort, hoort daar het getal bij, met de versie van de berekening waaruit het komt. „Duurzaam gebouwd” is geen claim; „MPG 0,42 volgens de berekening bij de vergunningaanvraag” is er wel een.
Dat is ook de reden dat we het energielabel en de MPG in presentaties uit elkaar houden. Het label zegt iets over het energiegebruik van het gebouw, de MPG over de materialen. Een woning kan een uitstekend label en een zwakke MPG hebben, of andersom, en een beeld dat beide onder één groene noemer brengt, verliest zijn geloofwaardigheid bij de eerste vraag van een goed geïnformeerde koper.
Wat wij nodig hebben om de MPG in beeld te brengenWat wij nodig hebben om de MPG in beeld te brengen
Om de materiaalkeuzes achter een lage MPG-score correct in een artist impression te verwerken, hebben we drie documenten nodig, in deze volgorde van belang.
- Het MPG-rapport, of ten minste de indicatieve berekening uit het voorontwerp. Daaruit lezen we welke bouwdelen de score dragen en welke keuzes in het beeld verdienen te worden getoond.
- De materiaalstaat, met concrete producten waar die bekend zijn. Een gevelsteen met productnaam kunnen we op kleur en textuur nabouwen; „baksteen, rood” niet.
- Het 3D-model of de tekeningen van de architect, inclusief de doorsneden. Zonder doorsnede kunnen we het casco niet tonen, en het casco is waar de MPG wordt gewonnen.
Met die drie stukken maken we de gevelrender, de interieurbeelden waarin het hout in het zicht blijft en, waar nuttig, de doorsnede of animatie die de opbouw laat zien. Rendering en modellering beginnen vanaf € 39 per uur, animatie vanaf € 45 per uur; op abonnement liggen de tarieven lager. De berekening zelf maken wij niet, dat is het werk van de adviseur. Wat wij doen, is ervoor zorgen dat het resultaat van die berekening niet in een bijlage blijft steken, maar in het beeld staat waarmee het project wordt verkocht.





